1

Acties

lessen observeren

Over materiaal worden

Experimenteren met en uitvinden van schoolse praktijken zouden we kunnen benoemen als het werk dat in de studioschool wordt uitgeoefend. Maar het kan ook specifieker zijn en een onderzoek betreffen naar de inhouden en de manieren waarop ze worden ingezet en gemanipuleerd op school. Welke vormen doen recht aan het schoolse, en welke vormen of inhouden hebben een temmende werking? Wat kunnen bepaalde inhouden en vormen betekenen, zowel pedagogisch, didactisch, artistiek, politiek als maatschappelijk? We gaan ervan uit dat de vormen, inhouden en de materialen die gehanteerd worden in de school veelzeggend zijn, en een sturende werking hebben. Ze zetten specifieke processen in gang. Daarom bestuderen we in de studioschool niet alleen de gebrachte inhouden, maar bekijken we ook de vormen (i.e. de curricula, de taal, de organisatie) waarin de inhouden gegoten worden en hoe ze het schoolse leven al dan niet opwekken, radicaliseren of uitdagen. Het is in die zin een beetje vreemd om te bepalen wat het materiaal is van studioschool. Natuurlijk is het schoolmeubilair dat en zijn de verschillende rollen als de rol van leraar, leerling, directeur, poetsvrouw, etc. dat ook. Maar het echte materiaal van studioschool is dat iets materiaal kan worden, precies doordat het in de school wordt binnengebracht en ontheven van de wetmatigheden die gelden buiten de school. Zo is alles wat in de school als studioschool wordt binnengebracht in principe materiaal, zelfs de afwezigheid van de leraar of de leerling kan er bestudeerd worden als materiaal, maar het materiaal heeft de leraar en de leerling (of de gebruikers) nodig om tot activatie te komen. Technieken, instructies, benodigdheden en omstandigheden kunnen eveneens materiaal worden. Elke winst, elke uitkomst in feite ook. Net zoals elke verantwoording. Er wordt mee gewerkt. We gaan ermee aan de slag.

We moeten hier misschien nog wat langer bij stilstaan. In het atelier van de schilder of beeldhouwer werkt men met diverse materialen, maar wanneer wordt iets studiemateriaal? Zijn er expliciete strategieën, methoden en omgangsvormen om objecten te transformeren tot studiemateriaal? Als we het hebben over materiaal worden betekent het dat iets onvoorspelbaar wordt, en ondefinieerbaar, niet doelgericht, maar moet hier nog iets aan toegevoegd worden, om het materiaal het karakter van studiemateriaal of leerstof te laten worden? Het lijkt erop dat de studioschool die plek is waar de les uit de les wordt gehaald, vrij van les of lesvrij wordt gemaakt. Misschien moeten we wel een aantal acties koppelen aan studioschool zoals herhalen, kopiëren, kaderen, wijzen, omdraaien, openkrabben, ingaan op, wegvegen, (tekens) vangen, resetten, blind maken of zinloos maken. Want naast het binnenbrengen van dingen uit de wereld in het atelier, en het manipuleren ervan gaat het ook nog om de zwijgende dingen, de materiële wereld om ons heen in onze eigen taal binnen te laten dringen. Ook dat vraagt aandacht en zorg.

Naar aanleiding van actie # 1 ‘lessen observeren’ leren we dat er in de werkplaatsen die verbonden zijn aan het atelier een grotere nadruk ligt op het niet beschadigen van materialen dan het omschrijven of definiëren ervan. Maar zowel het niet beschadigen als het omschrijven van het materiaal zijn beide omgangswijzen en praktijken van de studioschool. Zo ontdekken we ook dat niet zozeer de inhouden en voorwerpen (de schoolbel, het schoolbord, de leerstof..) het materiaal zijn van de studioschool maar de omgangswijzen ermee: bijvoorbeeld de schoolpoort die toegang verleent tot de wereld van de school, de muren die verwachtingspatronen van de buitenwereld tussen haakjes plaatsen, de leerstof die ons laat verzamelen rond een bepaald ding. Het is verleidelijk het te willen hebben over de materialiteit van de voorwerpen als we het over materiaal van de studioschool hebben in plaats van over de omgangsvormen en de bewegingen die op gang gebracht wordenGevoelig worden voor de omgangsvormen, en wat bepaalde vormen teweegbrengen is een manier om objecten, ideeën, rollen, verwachtingen, etc. materiaal te laten worden. De meest expliciete omgangsvorm om te bestuderen is daarom misschien wel het atelier. Het atelier als omgangsvorm belooft geen vooruitgang, noch verbetering. In het atelier gaat het om spelen met wat je in handen krijgt. En het spel gaat soms zo hard dat het absurd lijkt te worden. Vol verbeelding en imaginaire oplossingen, maar daarom niet onmogelijk. De verbeelding wordt gebruikt om zich tot iets te kunnen verhouden, om het ding dat voorligt te leren begrijpen, om het in handen te krijgen, in de vingers, ermee te kunnen experimenteren, het te manipuleren, en zo men wilt het te theoretiseren. Het atelier installeert in zekere zin een fictie of fictieve werkelijkheid om de zaak te kunnen bestuderen; het ding in een ander licht te kunnen aanschouwen. Een praktijk die een gelegenheid biedt om de dingen anders te ervaren voorbij de eigen gevoelens en verwachtingen. Of misschien juister, als omgangsvorm biedt het atelier – in zoverre het als atelier werkzaam is - een gelegenheid om dingen te ervaren die in het betasten anders worden en een nieuwe betekenis krijgen. De fysieke inspanning van het hanteren van het materiaal samen met het daadwerkelijk in acht nemen van wat zich toont, schept een situatie die het mogelijk maakt om los te komen van wat men wil zien, of denkt aan te treffen, waardoor de dingen zelf zeggingskracht kunnen krijgen en iets nieuws tot leven kunnen wekken.

Neem bijvoorbeeld het gebruik van een fototoestel. Je kunt leren hoe je een fototoestel kan gebruiken om goede foto’s te maken. Je kunt ook leren dat er verschillende vormen van fotografie bestaan: studiofotografie, portretfotografie, documentaire fotografie,... . Dat is iets wat je op school kunt leren maar ook daarbuiten. In het atelier doet men in essentie iets anders. Daar word je uitgenodigd het fototoestel als zuiver ding te bestuderen, op een manier dat het materiaal wordt: een apparaat dat licht registreert en de mogelijkheid heeft om het geregistreerde licht om te zetten in een beeld. Het beeld kan tot verwarring leiden, we krijgen meer te zien dan we dachten, maar ook de focus op die processen zelf is een andere focus dan een focus op het resultaat. Wat zou dat nu betekenen voor het schoolbord? Het schoolbord kunnen we begrijpen als middel om zaken uit te leggen aan de leerlingen. Je kunt als leraar leren hoe je goede bordschema’s kunt maken, en dat powerpoints veel efficiënter zijn dan bordschema’s, want die kan je hergebruiken de volgende keer, en ze helpen je ook netjes alles vooraf voor te bereiden. Ook dat is iets wat je kan leren, en in principe kan iedereen je dat leren. Maar wat als we het schoolbord naar het atelier verplaatsen, weghalen van haar functionaliteit en bestuderen met een andere blik? Je zou kunnen zeggen dat van zodra je zegt dat je in de studioschool bent, het schoolbord, net zoals het fototoestel, onmiddellijk een andere functie/betekenis krijgt. De vraag is dan welke? Wat gebeurt er met het schoolbord als je het als omgangsvorm bestudeert?  Hoe wordt het bord een ding? Zonder dat dit hoeft te betekenen dat je het gebruikt om andere zaken mee te doen, zoals bijvoorbeeld in de schitterende Iraanse film Blackboards (2000) van Samira Makhmalbaf. In de studioschool wordt het schoolbord misschien een tool die niet alleen iets toont, maar iets toont dat in het gebeuren zelf tot stand komt en zijn neerslag krijgt op het bord. Een denken wordt neergezet en een denkspoor wordt zichtbaar- en bespreekbaar, net zoals een slijmspoor van een slak, of de spin die zijn web weeft. Aan de hand van het bord scheidt een denkpatroon zich af dat zich oriënteert op het aanwezige. Dat is tegengesteld aan een powerpoint-presentatie die een voorgedefinieerd denken deelt. Omdat het tot stand komt in de handeling van het schrijven zelf, wekt het bordschema een andere verhouding tot het beeld op, dan de ppt. De ogen volgen de handen die een beeld creëren, een weerstand is voelbaar, het denken geeft zich niet onmiddellijk prijs. Dat is anders bij de ppt, die onmiddellijk haar inzet prijsgeeft, zonder aarzeling: direct en hardnekkig. De studioschool begrijpen als school-atelier betekent met andere woorden de omgangsvormen die het schoolse leven wekken, niet zozeer functioneel hanteren, maar bestuderen, accentueren, manipuleren, en er eventueel een nieuw gebruik aan toekennen.

 

 

Het eigene aan het vreemde verbinden/morele lessen

 

Voor een vruchtbare verhouding tot de dingen is er meer nodig dan alleen zintuiglijke aandacht. Ponge schrijft: ‘het anders-zijn van de dingen kan alleen tot de mens doordringen wanneer die bereid is de dingen niet alleen zintuiglijk op te nemen, maar ze in zijn taal binnen te laten dringen, wanneer de dingen hun eigen stem krijgen in zijn taal’ (Ponge, 1942/2018, 71). Naast aandacht gaat het met andere woorden ook over het zich uit zichzelf vandaan trekken, en zichzelf door de dingen op een andere manier leren kennen. Het gaat expliciet om studie. Studeren dus. Maar dat is geen objectiverende waarneming van dingen, in wetenschappelijke zin. Studeren zit vol subjectieve momenten en fantasie, maar het is niet hetzelfde als een subjectieve ervaring van de dingen of het tegenover elkaar plaatsen van het rationele bewustzijn tegenover het irrationele van het onbewuste. In studie gaat het in de eerste plaats om aandacht en om proeven, wat betekent het eigene aan het vreemde relateren; verschillen te achten en ze met elkaar te confronteren. Het gaat er voortdurend om de gedachten die de dingen in je oproepen na te trekken, en twee of drie betekenissen tegelijk in je gedachten laten mee resoneren. Op die manier ontstaan er verschillende netwerken van betekenissen die de eigen interpretaties compliceren en het ding karakter van het materiaal zelf versterken. Studeren geeft zo aan het ding een esthetisch en ethisch karakter. Vandaar dat we het eerder hebben gekoppeld aan het smaakoordeel. Dat wil zeggen dat studeren in de studioschool zich wijdt aan de wereld van de dingen die ons omringen, een wereld waar het één niet zonder het andere kan bestaan, en dat in het studeren die relaties tot leven komen en er een relatie aangegaan wordt die uitgaat van een onuitputtelijke bron van genoegens boven het verwerven van kennis. Hierin toont de student zich behalve een gepassioneerd beschouwer van relaties, ook een moralist. Er valt iets van op te steken: de mens spiegelt zich aan het materiaal, en wordt zo ook materiaal. In onze handleiding gebeurt dit soms op een heel bedekte, impliciete manier, en soms heel expliciet. Maar het gaat erom dat je zelf wordt uitgedaagd en bereid bent je aan het materiaal te vormen.

 

Het ziet er uit als een kristal; het vertakt zich tijdens een begeesterde zoektocht en verkent het uitgestrekte gebied van betekenissen die zich scharen onder de nomenclatuur van de liefde, evenals de aangrenzende semantische velden van het goede en de schoonheid, zoals Italo Calvino de geest van de schrijver Stendhal tracht te omschrijven. Eerder dacht ik wanneer mijn collega over het kristalliseren van artistieke ideeën sprak, dat hiermee enkel de transformatie van het vluchtige tot een vaste vorm werd bedoeld, van het idee tot het in vorm gegoten experiment, de artistieke uitspraak, net zoals zoutkristallen ontstaan wanneer de zoutmeren van Uyuni opdrogen. Kristalliseren geeft niet enkel vorm aan de dingen, één op één, het in een vorm gieten van een idee. Het idee is slechts het vertrekpunt, dat vaak start met een waarneming die van alles in het hoofd in gang zet, waaruit dan ideeën ontstaan. En dan gaat men er mee aan de slag, en pas dat is het moment dat de echte studie begint, dat de kristallisatie van start gaat. Het idee wordt aan de werkelijkheid, aan de wereld  getoetst, door haar in een vorm te realiseren. Dat idee kan een artistiek concept zijn maar evengoed een materiaal dat waargenomen is die de student verleid om in de handen te nemen. Een idee kan goed zijn, maar slechte ideeën, zoals kunstenaar Jozef Wouters ooit zei, zijn vaak bruikbaarder. De vorm van een goed idee is vaak goed leesbaar. Het idee is zichtbaar aanwezig. Omdat het een goed idee is, en toegegeven dit blijft een subjectief gegeven, maar dat maakt niet uit voor wat ik hier wil zeggen, is het maar een kwestie van dat goed idee in een materie te vertalen, hoe ephemeer deze materie ook mag zijn. En dit is ok, maar heeft misschien weinig met kristallisatie en bij gevolg met studie te maken. Dit getuigt hoogstens van een vindingrijk denken, dat her en der verwondering of een glimlach kan opwekken. Van het slechte idee daarentegen wil men weg. Je wil een slecht idee niet gewoon uitvoeren, want dan krijgen we een slecht idee te zien. Het slechte idee biedt wel een specifiek iets om mee aan de slag te gaan. De af te leggen weg is langer, hobbeliger en daarom avontuurlijker is, omdat de afstand tot de ratio, het bedenken van ideeën, en dus dat wat reeds door het individu, het ‘ik’ gedacht kan worden, groter is, en daarmee dat ‘ik’, maar ook het studieobject meer en op verrassende wijze vormt. Deze vorming,  deze studie gebeurt steeds door de dingen in vorm, in materie, in een medium uit te dagen. Het is een wroeten dat een kristalstructuur tot stand brengt, van vertakkingen die ontstaan door de weerstand van het in het leven roepen, door een onrustige zoektocht omdat het ‘ik’ met inhoudelijke, vormelijke en materiële eigenschappen en obstakels, buiten zichzelf geconfronteerd wordt. Het gekristalliseerde ding laat een complexiteit zien waaruit de studie is opgebouwd. Zij is misschien niet altijd even gemakkelijk leesbaar, laat staan begrijpbaar, maar ze maakt wel iets zichtbaar en daarom deelbaar, de constructie van een studie, van een in vorm gegoten stukje (denk)wereld dat binnen de wereld, die een school is, maar nog vanzelfsprekender binnen de school zelf opnieuw tot studieobject wordt binnengebracht, waar iedereen bijdraagt tot een denken van de wereld, een onoverzichtelijk maar wel fascinerend kluwen van kristallen, weerbarstig net zoals 'The Cristal of Resistance', een overweldigende kristalgrot, gebouwd in het Zwitsers paviljoen onder leiding van Thomas Hirschhorn voor de 54ste Biënnale van Venetië, in 2011. De wereld sijpelde er als stalactieten en stalagmieten binnen, vereenvoudigd in een model, want dat is misschien het enige waartoe de mens in staat is als we Peter Buggenhout mogen geloven, maar in ieder geval niet reduceerbaar tot eenvoudig verkoopbare ideeën, conclusies, standpunten of programma’s. In  die zin willen we met studioschool afzondelijke zaken uit de wereld, als vereenvoudigde modellen, zo je wil als slechte ideeën, en dit, niet omdat we slechte kunstenaars of slechte studenten zouden zijn, maar omdat we de tijd nog moeten nemen om de ideeën of de denkmodellen in handen te nemen, te vormen, te bestuderen, te complexeren om ze als kristalvormen te tonen en daarmee opnieuw ter studie aan te bieden.